Daar zit ik dan

En ik weet dat ik leef
Wanneer ik beef
Boven alles zweef
Nog meer dan alles geef

En ik weet hier doe ik het voor
Wanneer ik het hoor
Eindelijk heb ik door
Dat ik er toch bij hoor

En ik weet, ik kan er wat van
Wanneer ik dan
Zonder route of plan
De hele wereld aankan

Want opeens voelt het leven echt
Iedereen en alles oprecht
De strijd iets langer onbeslecht
Niemand die me dit ontzegt

Ode aan Epicurus

En daar sta je dan
Met een gezicht van
Kom me maar halen dan
Toon, je bent een man

De avond barst open
Je ziet de drank lopen
Samen worden we bezopen
Hier zat ik op te hopen

Er hangt iets speciaal in de lucht
De uren van twijfel werpen af hun vrucht
Ach, het heeft geen zin dat ik vlucht
Ik stap op je af, ik zucht

Ik zie je staan
Je kijkt me aan
Ik weet voortaan
Jou laat ik niet meer gaan

Ecce Homo

Niets liever wil ik
Te vinden
Het is mijn wens
Te vinden de mens

De mens die niet voldoet
Aan wat ik verwacht
Aan wat ik vind dat moet
Aan wat ik mogelijk acht

De mens die meer is dan
Weet je wat ik niet allemaal kan?
De mens die aanvoelt
als een holle vervanger

Met moeite kan ik het nog aan
ik weet niet langer
of ik nog houden kan van
Aangezien ik vond
Een mens zo weergaloos in zijn bestaan

Indian summer

En is het niet normaal dan
Na al die tijd doen alsof je sterk bent
Eens te willen breken

In elkaar zakken
omdat je het zelf niet weet
Altijd zeg je iets, om het even wat
Tot er niets meer overschiet

Ik sta voor de spiegel en zie iets echt
Zometeen wordt de strijd beslecht
Het is nu of nooit

De goede dagen reeds uit het oog verloren
Hetgeen dat komt
komt razend op me afgevlogen
En het is zonder mededogen

Kastanjerood

“Aangenaam, vond ik het”, zeg je.
“Ik ook…”, is wat ik daarop terug zeg.
“Zo, dat was het dan?”
“Is dit het dan?”
Je glimlacht, niet echt wetende hoe te reageren.

Beiden weten we dat nu het moment is.
Het moment van holle woorden en beloftes naar een volgende keer,
beseffende: hetgeen dat in ons omgaat en verzwegen blijft,
gaat over veel meer.

Ik open de deur,
huiver door de kille herfstlucht.
Wat was de zomer kort.
Op straat, een kind dat lacht.
Om eender wat, zo gaat dat.

Een overweldigend besef sijpelt binnen.
Eindelijk de waas van ‘nognet’ verbroken.
Ik draai me om, je staat er nog.
Ik zeg:“Ik hou van jou, en….”, ik weet niet goed waar te beginnen.
Dat is niet nodig, ik zie dat je liever hebt dat ik zwijg.
Je blik zegt meer dan duizend woorden dat kunnen.

Slechts ik

Ik ben niet helemaal eerlijk geweest
Ik ben niet ik
Hij is ik

Hij van de lach,
Hij die vraagt of hij mag,
Hij die doet,
Terwijl ik weet
Hoe het moet

Men kent hem
Sommigen houden zelfs van hem
Dat kan ik niet,
Zolang men niet ziet
Hij en ik, wij

Soms ben ik bang, vrees ik
Dat wij toch
Samen ik zijn
Slechts ik…

Hopeloos hoopvol

Het dringt tot me door
Hier doe ik het voor.
Een vage mist wordt doorbroken,
Ik word meester van het besef.

Ik ben gebroken,
En ik heb niet het lef
Tegen de stroom in te zwemmen

Tussen de anderen loop ik rond
Ja knikkend alsof ik het niet weet
Meegaand in de trance van hen
Mijn hoofd een veilig toevluchtsoord.

Op het einde van hun leven zullen ze het weten.
En zullen ze zeggen tegen hun kinderen
Dat ze nooit mogen vergeten
Waar het echt om gaat.

Woedend

Ik weet niet meer
Vanwaar het kwam
Ik weet niet of ik het nog kan
Volhouden ik ben een man

Ik ben ik
Niet jij
Dus behandel me niet als jij
Want ik ben ik

Altijd ik en zij
Nooit ik en jij
Ze hebben het over mij
Als over een hij

De kluwen onontrafeld
Tot voortaan een compromis
Gedaan met de excuses
Dit was de laatste keer

Puur

Wat is vals, wat is echt
Op zoek naar de realiteit
Klampend aan de bron van leven
waaraan je jezelf hecht

Los van de woorden
Die je reeds te vaak doorboorden
Tastend op de rand tussen licht en duister
Op zoek naar iets vele malen juister

Ze gaan hand in hand,
de ene opwindend saai
De andere gedurfd en riskant
Toch o zo verwant

Na je tocht is je besluit
Je geraakt er moeilijk uit
Je besef groeit, de twee versmelten
Ontsnappen hoeft niet langer