Ode aan Epicurus

En daar sta je dan
Met een gezicht van
Kom me maar halen dan
Toon, je bent een man

De avond barst open
Je ziet de drank lopen
Samen worden we bezopen
Hier zat ik op te hopen

Er hangt iets speciaal in de lucht
De uren van twijfel werpen af hun vrucht
Ach, het heeft geen zin dat ik vlucht
Ik stap op je af, ik zucht

Ik zie je staan
Je kijkt me aan
Ik weet voortaan
Jou laat ik niet meer gaan

Kastanjerood

“Aangenaam, vond ik het”, zeg je.
“Ik ook…”, is wat ik daarop terug zeg.
“Zo, dat was het dan?”
“Is dit het dan?”
Je glimlacht, niet echt wetende hoe te reageren.

Beiden weten we dat nu het moment is.
Het moment van holle woorden en beloftes naar een volgende keer,
beseffende: hetgeen dat in ons omgaat en verzwegen blijft,
gaat over veel meer.

Ik open de deur,
huiver door de kille herfstlucht.
Wat was de zomer kort.
Op straat, een kind dat lacht.
Om eender wat, zo gaat dat.

Een overweldigend besef sijpelt binnen.
Eindelijk de waas van ‘nognet’ verbroken.
Ik draai me om, je staat er nog.
Ik zeg:“Ik hou van jou, en….”, ik weet niet goed waar te beginnen.
Dat is niet nodig, ik zie dat je liever hebt dat ik zwijg.
Je blik zegt meer dan duizend woorden dat kunnen.